Het College voor Toetsen en Examens (CvTE) is verantwoordelijk voor het bewaken van de kwaliteit én de vergelijkbaarheid van doorstroomtoetsen in het primair onderwijs. We stellen jaarlijks de normering vast. Stichting Cito voert dit verder uit en adviseert ons in het normeringstraject.
Hoe en waarom normeren we?
Met de normering zorgen we ervoor dat leerlingen het toetsadvies krijgen dat past bij de prestatie die ze hebben laten zien op de toets. Dit doen we door te equivaleren op basis van de prestaties van leerlingen op gezamenlijke ankeropgaven, die in alle doorstroomtoetsen terugkomen. Deze methode zet toetsprestaties af tegen een vaste, absolute standaard. Daardoor komen toetsadviezen volledig onafhankelijk tot stand van het voorlopige schooladvies en vormen zij een objectief tweede gegeven. Onze werkwijze hiervoor staat verder beschreven in de Regeling beoordelingsnormen doorstroomtoetsen po.
We vinden het belangrijk om goed te monitoren of leerlingen ook echt op de voor hen goede plek terechtkomen, waarvoor het toetsadvies als objectief tweede gegeven wordt gebruikt. Hiervoor doen we toelatings- en doorstroomonderzoek. Daarbij wordt gekeken of de toetsadviezen overeen komen met de niveaus waar leerlingen na drie jaar middelbare school terecht komen. We kiezen hierbij voor drie jaar onder andere in verband met gemengde brugklassen, waarbij we pas na deze brugklasperiode weten op welk onderwijsniveau de leerlingen uiteindelijk terechtkomen. In onderstaande animatie leggen we meer uit over het normeringsproces en wat dit betekent voor de doorstroom van leerlingen.

Rijksoverheid logo:
College voor Toetsen en Examens
Titel:
Normering Doorstroomtoets
Voice-over:
"Scholen kiezen in groep 8 zelf
uit verschillende doorstroomtoetsen
van verschillende aanbieders.
Deze toetsen verschillen in de
Manier waarop vragen gesteld worden.
En de manier waarop de toets wordt
afgenomen.
Voor een leerling mag het natuurlijk
niet uitmaken welke toets gemaakt wordt.
Of in welk jaar.
Het moet hetzelfde toetsadvies opleveren.
Daarom worden alle toetsen genormeerd
om per toets vast te stellen welke scores
aansluiten bij de verschillende
brugklasniveaus.
Hiervoor is, volgens de wet,
het gezamenlijk anker ontwikkeld.
Dit is een set opgaven afkomstig van
de verschillende toetsaanbieders.
Deze hele set opgaven komt in alle
toetsen terug.
Daarnaast wordt een deel van deze opgaven
een aantal jaar achter elkaar afgenomen.
Zo worden de toetsen met elkaar,
en over de jaren heen
met elkaar vergeleken,
en worden prestaties van leerlingen
altijd op dezelfde manier gewaardeerd.
Om te normeren wordt ook
toelatings- en doorstroom onderzoek gedaan.
Hier worden leerlingen gevolgd
vanaf de brugklas tot en met het derde jaar
van het voortgezet onderwijs.
Komen leerlingen terecht op het niveau
dat de score van hun doorstroomtoets adviseerde?
Een voorbeeld.
We zien dat leerlingen met een bepaalde
toetsscore na drie jaar terecht komen op
het vmbo, havo en vwo.
Maar voornamelijk op de havo.
Het best passende brugklasadvies
voor deze toetsscore is dus havo.
Op deze manier bekijken we alle
toetsscores. En kunnen we leerlingen
die nu in groep 8 zitten met nog meer
zekerheid een passend toetsadvies geven.
Uit dit onderzoek kan ook blijken
dat een bepaald toetsadvies uit groep 8
voor de meest leerlingen niet meer
overeenkomt met het niveau waar zij
na drie jaar belanden.
Dan worden de grenzen van dat toetsadvies
opnieuw bekeken.
Hiermee blijven we de stabiele overgang
van primair naar voortgezet onderwijs ondersteunen.
Meer weten? www.cvtetoetsenpo.nl"
Rijksoverheid logo:
College voor Toetsen en Examens
Verschillen in doorstroomtoetsresultaten
Sinds de start van de doorstroomtoets zijn we als CvTE verantwoordelijk voor de landelijke, toetsoverstijgende normering. Dit is een verschil met eerdere jaren, waarin er niet één landelijke normering was. We normeren zodat we gelijke prestaties gelijk kunnen waarderen, maar we hebben te maken met verschillende toetsen. En daarmee ook met verschillen in doorstroomtoetsresultaten.
Verschillende factoren zijn van invloed op de deze toetsresultaten. Er zijn sowieso altijd kleine fluctuaties in resultaten. Bovendien hebben de verschillende toetsen deels verschillende leerlingpopulaties. Zo zijn er toetsen die in het speciaal onderwijs en speciaal basisonderwijs vaker afgenomen worden.
Naast deze populatieverschillen kunnen selectie-effecten op schoolniveau een rol spelen. Scholen maken namelijk een weloverwogen keuze voor een bepaalde doorstroomtoets. Vaak één die goed aansluit bij het type onderwijs dat op de school gegeven wordt. Op scholen waar veel digitaal onderwijs wordt gegeven, zal eerder gekozen worden voor een digitale doorstroomtoets.
En natuurlijk is de manier waarop leerlingen op de toets reageren mogelijk van invloed. Denk hierbij aan verschillen tussen een papieren en digitale toets en aan verschillen in lay-out, afnamecondities en -instructies. De ene toets zal door de ene leerling beter gemaakt worden dan een andere toets.
Er is dus niet één verklaring te geven; het gaat om veel factoren die met elkaar samenhangen. We doen verschillende onderzoeken om hier meer inzicht in te krijgen. Voor meer informatie over deze onderzoeken, zie Onderzoeken en publicaties.