Het College voor Toetsen en Examens (CvTE) is verantwoordelijk voor het bewaken van de kwaliteit én de vergelijkbaarheid van doorstroomtoetsen in het primair onderwijs. We stellen jaarlijks de normering vast. Stichting Cito voert dit verder uit en adviseert ons in het normeringstraject.

Hoe en waarom normeren we?

Met de normering zorgen we ervoor dat leerlingen het toetsadvies krijgen dat past bij de prestatie die ze hebben laten zien op de toets. Dit doen we door te equivaleren op basis van de prestaties van leerlingen op gezamenlijke ankeropgaven, die in alle doorstroomtoetsen terugkomen. Deze methode zet toetsprestaties af tegen een vaste, absolute standaard. Daardoor komen toetsadviezen volledig onafhankelijk tot stand van het voorlopige schooladvies en vormen zij een objectief tweede gegeven. Onze werkwijze hiervoor staat verder beschreven in de Regeling beoordelingsnormen doorstroomtoetsen po.

We vinden het belangrijk om goed te monitoren of leerlingen ook echt op de voor hen goede plek terechtkomen, waarvoor het toetsadvies als objectief tweede gegeven wordt gebruikt. Hiervoor doen we toelatings- en doorstroomonderzoek. Daarbij wordt gekeken of de toetsadviezen overeen komen met de niveaus waar leerlingen na drie jaar middelbare school terecht komen. We kiezen hierbij voor drie jaar onder andere in verband met gemengde brugklassen, waarbij we pas na deze brugklasperiode weten op welk onderwijsniveau de leerlingen uiteindelijk terechtkomen. In onderstaande animatie leggen we meer uit over het normeringsproces en wat dit betekent voor de doorstroom van leerlingen.

0:00
0:00
/
0:00

Verschillen in doorstroomtoetsresultaten

Sinds de start van de doorstroomtoets zijn we als CvTE verantwoordelijk voor de landelijke, toetsoverstijgende normering. Dit is een verschil met eerdere jaren, waarin er niet één landelijke normering was. We normeren zodat we gelijke prestaties gelijk kunnen waarderen, maar we hebben te maken met verschillende toetsen. En daarmee ook met verschillen in doorstroomtoetsresultaten.

Verschillende factoren zijn van invloed op de deze toetsresultaten. Er zijn sowieso altijd kleine fluctuaties in resultaten. Bovendien hebben de verschillende toetsen deels verschillende leerlingpopulaties. Zo zijn er toetsen die in het speciaal onderwijs en speciaal basisonderwijs vaker afgenomen worden.
Naast deze populatieverschillen kunnen selectie-effecten op schoolniveau een rol spelen. Scholen maken namelijk een weloverwogen keuze voor een bepaalde doorstroomtoets. Vaak één die goed aansluit bij het type onderwijs dat op de school gegeven wordt. Op scholen waar veel digitaal onderwijs wordt gegeven, zal eerder gekozen worden voor een digitale doorstroomtoets.
En natuurlijk is de manier waarop leerlingen op de toets reageren mogelijk van invloed. Denk hierbij aan verschillen tussen een papieren en digitale toets en aan verschillen in lay-out, afnamecondities en -instructies. De ene toets zal door de ene leerling beter gemaakt worden dan een andere toets.

Er is dus niet één verklaring te geven; het gaat om veel factoren die met elkaar samenhangen. We doen verschillende onderzoeken om hier meer inzicht in te krijgen. Voor meer informatie over deze onderzoeken, zie Onderzoeken en publicaties.