Het College voor Toetsen en Examens (CvTE) en Stichting Cito werken veel samen, ook bij de doorstroomtoets. Voordat deze toets op het tafeltje of scherm van groep 8-leerlingen belandt, heeft hij al een uitgebreid beoordelingsproces doorlopen. Het CvTE en Stichting Cito hebben daarin ieder hun eigen rol. Stichting Cito adviseert over het toelaten en erkennen van doorstroomtoetsen; het CvTE neemt het besluit. Hoe werkt die samenwerking eigenlijk in de praktijk? Leander Dukers en Stefan Jansen van Stichting Cito leggen het uit.
Stefan Jansen en Leander Dukers (Stichting Cito)
Samenwerking met het CvTE
‘We hebben voor de doorstroomtoetsen elk jaar twee gezamenlijke dagen,’ vertelt Leander Dukers, sectormanager primair onderwijs bij Stichting Cito. ‘In september evalueren we het proces van het afgelopen schooljaar en in januari organiseren we een gezamenlijk startmoment. Dan bespreken we de inhoud en het proces grondig. Soms ontstaat daarover een pittig gesprek, maar we komen er altijd samen uit. We houden elkaar scherp en dat komt de zorgvuldigheid ten goede. De samenwerking voelt daardoor niet als een opdrachtgever-opdrachtnemerrelatie, maar gelijkwaardiger. Als een adviseur naast een geadviseerde. Dat werkt gewoon heel prettig.’
Advies op twee vlakken
‘De adviesrol van Stichting Cito beslaat twee sporen: inhoud en normering,’ legt Leander uit. ‘Bij het inhoudelijke spoor beoordeelt Stichting Cito alle onderdelen van een toets op basis van een beoordelingskader. Daarnaast speelt Stichting Cito een rol in de normering.’ Stefan Jansen, psychometrisch onderzoeker bij Stichting Cito: ‘Wij zorgen er samen met het CvTE voor dat alle toetsen op gelijke manier worden genormeerd. Dat kun je alleen maar doen als je de resultaten van al die toetsen bij elkaar legt en gaat doorrekenen. Dat doen wij voor het CvTE. Alle toetsresultaten komen centraal binnen tijdens de afname, waarna we gaan rekenen en bepalen hoe die toetsen ten opzichte van elkaar worden genormeerd, zodat ze goed vergelijkbaar zijn.’
Onafhankelijke adviseurs
‘We hebben bij Stichting Cito een klein team dat fulltime aan deze advisering werkt,’ zegt Leander. Bij dat kernteam horen ook Stefan en zijn collega-onderzoekers van CitoLab, die psychometrische kennis inbrengen. Daarnaast beschikt Stichting Cito over een grote pool externen die wordt ingeschakeld bij het beoordelen van toetsen: mensen uit het onderwijs, experts rekenen en taal, universitaire- en hogeschooldocenten en andere vakdeskundigen. Op die manier wordt elke toets vanuit meerdere perspectieven beoordeeld.
Belangrijk aspect is de onafhankelijke positie van Stichting Cito. ‘De mensen die toetsen beoordelen, zijn niet betrokken bij het ontwikkelen van toetsen of volgsystemen’, legt Leander uit. ‘Ze beoordelen alle instrumenten onafhankelijk en kritisch. Daarnaast wordt er gewerkt met externe beoordelaars, voor een zorgvuldige beoordeling en een zuiver en transparant beoordelingsproces.’
Van conceptadvies naar definitief advies
Het beoordelingsproces start zodra een toets wordt ingediend. Dat doen toetsaanbieders jaarlijks voor 1 juni. Beoordelaars bekijken het materiaal eerst individueel aan de hand van het beoordelingskader. Na een paar weken volgt een gezamenlijk beoordelaarsgesprek. Leander: ‘In dit gesprek bespreken we onze bevindingen. Daaruit ontstaat het conceptadvies, dat we met de aanbieder delen.’
Vervolgens krijgt de aanbieder de gelegenheid om tijdens een hoor- en wederhoorgesprek met het CvTE en de adviseurs van Stichting Cito onderdelen toe te lichten of extra informatie aan te leveren. ‘Soms staan er in het conceptadvies nog eisen op “onvoldoende”. Vaak gaat het daarbij niet om structurele tekortkomingen in een toets, maar om de precieze onderbouwing van een eis. Dankzij het gesprek kunnen we die punten zorgvuldig bespreken en is het meestal op te lossen met het aanleveren van extra informatie. Pas daarna schrijven we het definitieve advies, dat vervolgens naar de adviescommissie van het CvTE gaat.’
Ruimte voor creativiteit
Ondanks strikte kaders is er ruimte voor verschillende toetsvormen. Stefan: ‘Of je nu een adaptieve of een lineaire, een papieren of digitale toets maakt, meerkeuze of open vragen gebruikt, het kan allemaal. Zolang het onderwijskundig en psychometrisch klopt.’ Leander: ‘De beoordelingskaders zijn zeker niet bedoeld om creativiteit te beperken. Ze zorgen er vooral voor dat verschillen niet ten koste gaan van de kwaliteit.’
Dynamiek tijdens de afnameperiode
Naast de inhoudelijke beoordeling speelt ook de praktijk van de afname zelf een belangrijke rol in het werk van Stefan en Leander. En juist daar komt ieder jaar een vleugje onvoorspelbaarheid bij kijken.
De afnameperiode brengt volgens Stefan altijd een zekere mate van spanning met zich mee. ‘Er gebeurt ieder jaar wel iets wat je niet ziet aankomen,’ vertelt hij. ‘Soms klein, soms groter. Denk bijvoorbeeld aan foto’s van toetsboekjes die in de media verschijnen.’ Het moment waarop de eerste resultaten binnenstromen, blijft voor hem een belangrijk meetpunt: sluiten ze aan bij de verwachtingen, of vraagt iets om extra onderzoek?
Ook Leander ervaart gezonde spanning in de afnameperiode. ‘Vanaf 1 juni kijk je wekenlang alleen naar de buitenkant van zo’n toets,’ zegt hij. ‘Pas tijdens de afname zie je hoe het geheel van binnen werkt en of alles klopt met wat er op papier is ingediend. Dat blijft een cruciaal moment.’
Publicatiedatum: 5 februari 2026