Sinds schooljaar 2023-2024 kunnen basisscholen kiezen uit acht verschillende doorstroomtoetsen van zes aanbieders. De toetsen binnen het doorstroomtoetsenstelsel verschillen van elkaar, onder andere in lay-out, deelnemersaantallen en afnamemodus (papier of digitaal). De verschillende doorstroomtoetsen worden door het CvTE overstijgend genormeerd. Zo zorgen we ervoor dat gelijke prestaties van leerlingen bij verschillende doorstroomtoetsen en tussen verschillende afnamejaren tot gelijke resultaten leiden. Hiervoor worden ankeropgaven gebruikt, die in alle doorstroomtoetsen terugkomen.

Om het gezamenlijk anker goed te laten functioneren is het belangrijk dat de opgaven in elke doorstroomtoets op soortgelijke wijze worden opgenomen. 
Naast vaardigheid van leerlingen kunnen verschillende factoren - zoals lay-out, afnamemodus en positie van de ankeropgaven - van invloed zijn op de prestaties van de leerlingen op de doorstroomtoets. Om de invloed hiervan te beperken zijn in de Regeling beoordelingsnormen algemene afspraken gemaakt, zoals het niet helemaal voorin of achterin de toets plaatsen van ankeropgaven. Binnen de gestelde kaders zijn aanbieders vrij om bijvoorbeeld keuzes te maken waar zij de ankeropgaven precies plaatsen in hun toets.

In dit onderzoek is gekeken naar het effect van de positie van de ankeropgaven op de normering van de doorstroomtoetsen. Daarnaast is er gekeken naar factoren die invloed hebben op het effect van de positie van de ankeropgaven, zoals bijvoorbeeld de lengte van een opgave, het opgavetype (open versus meerkeuze) en de afnamevorm van de toets.

Uit het onderzoek blijkt dat de positie van de ankeropgaven in de praktijk een klein effect heeft op de resultaten. Alleen als er sprake is van systematische verschuivingen in ankerposities – zoals het wisselen van hele blokken van opgaven – dan zie je mogelijk een impact op het aandeel leerlingen dat een referentieniveau haalt.
De resultaten van het onderzoek geven een beeld van hoe het effect van de positie van de ankeropgaven zo klein mogelijk gemaakt kan worden. 
Het onderzoek leidt tot vier concrete aanbevelingen:
1.    Zorg dat het gezamenlijk anker voldoende korte opgaven en meerkeuze-opgaven bevat;
2.    Voorkom systematische verschuivingen in het anker, bijvoorbeeld via een vooraf gespecificeerd blok van items voor alle toetsen. Door de verschillende soorten toetsen is het echter onmogelijk om hier één concrete richtlijn voor op te stellen, die voor alle toetsen past; 
3.    Vermeld rust en structuur nog nadrukkelijker in de afname-instructies;
4.    Pas een concurrente kalibratie toe in de landelijke normering, waarbij alle gegevens van alle jaren in één enkele analyse meegenomen worden.

Tot slot komt naar voren dat de positie-effecten bij digitale toetsen waarschijnlijk kleiner zijn dan bij papieren toetsen. Deze bevinding is interessant voor nader onderzoek naar moduseffecten binnen het doorstroomtoetsenstelsel, waar op dit moment binnen het onderzoeksprogramma van toetsen primair onderwijs aan wordt gewerkt. 

Het onderzoek bevestigt grotendeels hoe we al werken en onderstreept vooral het belang van het expliciet handhaven van die praktijk. Concurrente kalibratie passen we sinds de afname van 2026 toe in de landelijke normering.

Bekijk het onderzoeksrapport